Jeroen Koomen gebruikte de Van Leeuwenhoek microscoop replica; een impressie

Voor zijn afstuderen kreeg Jeroen Koomen een replica van de Van Leeuwenhoek microscoop. Hij heeft er al enig onderzoek mee verricht, in de stijl van Van Leeuwenhoek, getuige zijn verslag:

“Vanavond heb ik net als Antoni van Leeuwenhoek bij kaarslicht zitten experimenteren met zijn microscoop. Ik heb een beetje vals gespeeld, want ik weet hoe je preparaten moet maken die maar een cellaag dik zijn (en dat is nodig om de cellen goed te kunnen zien) en heb geprobeerd om een foto te maken van wat ik kon zien. De foto is niet heel geweldig, want het is nogal lastig om de microscoop in focus te houden en met de andere hand een foto te maken. Het beeld wat ik zelf door de microscoop zag was veel mooier. (…) De foto heb ik bijgevoegd, het zijn cellen van een ui belicht met kaarslicht.”

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop
Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop
Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop
Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop
Cellen
Cellen

Dank je wel Jeroen voor je verslag en de mooie foto’s!

Meer informatie over de replica leest u hier.

Vera

Een perfect werkende graphic telescope uit eigen werkplaats

Of ik een `Claude glass‘ kon namaken – voor een expeditie naar de Zuidpool. En of ik ooit had gehoord van de `graphic telescope’.

Graphic Telescope
Graphic Telescope

De uit Argentinië afkomstige kunstenares Irene Kopelman had wel vaker een buitengewoon plan opgevat. Naar Hawaï afreizen om de textuur van gestolde lavastromen te bestuderen bijvoorbeeld. Werkte ze in Latijns Amerika voornamelijk in en over het omringende landschap, het verhuizen naar Europa dwong haar tot een onderzoekende houding tegenover onze omgang met het schijnbaar natuurlijke gegeven. Natuur geordend in eeuwenoude collecties. Natuurlijke variatie in de grip van classificatie. Genoeg stof om er de eerste promotie in de Kunsten in Nederland mee in te vullen – Kopelman promoveerde begin september, begeleid door de Utrecht Graduate School of Visual Art and Design en de Finnish Academy of Fine Arts, Helsinki.

Die `Claude glass’ namaken lukte destijds nog wel. De `graphic telescope’ was een ander verhaal. Dit in de vroege 19de eeuw ontwikkelde wetenschappelijk instrument was een treffend voorbeeld van gespecialiseerde technologie. Een deel ervan werkte als een camera lucida, en stelde kunstenaars in staat in één oogopslag naar onderwerp én tekenblad te kijken. Door die twee over elkaar te projecteren introduceerde het apparaat een nieuwe tekenmethodiek. Maar de uitvinder van de `graphic telescope’, Cornelis Varley, kwam bovendien de in de 19de eeuw opkomende landschapkunst tegemoet. Hij voorzag de camera lucida van een telescoop, zodat verre landschappen zich mooi in het vizier en op het tekenblad presenteerden.

Een begeerd instrument voor iemand die – net als de 19de-eeuwse expeditieleden – vol verwondering het Antarctische landschap aanschouwt maar in de toenadering gehinderd wordt door de barre omgeving.

Het obscure apparaat verdient een grondigere analyse dan een archiefstudie ooit kan bieden. Het was via dit instrument dat de eerste beschrijvingen, tekeningen en gravures van het Antarctische gebied de warmere klimaten bereikten. Kopelman had voor haar Zuidpoolexpeditie de middelen gevonden. Om een graphic telescope te maken was een vakman vereist. Paul Steenhorst, hoofdrestaurator van Museum Boerhaave, was meteen enthousiast.

Maar zoals het een obscuur instrument betaamt bleken er in deze contreien geen originele Varley-`graphic telescopes’ bewaard gebleven te zijn. Paul en ik reisden in juli af naar Engeland – de plek waar meerdere exemplaren bewaard zijn gebleven. Na een blitzbezoek aan Cambridge en Oxford hadden we alle gegevens van de `graphic telescope’, mechanisch en optisch, verzameld, en hadden we een blik kunnen werpen op onderlinge variaties. Dat bleken er heel wat te zijn. Schijnbaar is Varley het instrument blijven doorontwikkelen – elke keer bracht een puzzel van tientallen onderdelen ons tot nieuwe inzichten over het apparaat. Gewapend met de vereiste gegevens vingen we de terugtocht aan.

Graphic Telescope detail
Graphic Telescope detail

Amper vier weken later was ie klaar. Hetgeen een klein wonder kan worden genoemd. Paul heeft in die tijd kilo’s messing verspaand, en toverde in zijn werkplaats een perfect werkende `graphic telescope’ tevoorschijn (ikzelf gaf de typenummers van de benodigde lenzen door aan Paul en ging met vakantie…).

De dienst op de Zuidpool moet Pauls `graphic telescope’ nog invullen, maar nu al staat het instrument prominent ten toon op Kopelmans promotie-expositie, getiteld `The Molyneux Problem’. Die loopt tot en met 25 september in de Basis voor Actuele Kunst, Lange Nieuwstraat 4 in hartje Utrecht. Ook werk getuigend van een eerdere Zuidpoolreis door Kopelman is daar te bezichtigen. Een vervolgtentoonstelling, waarin ook werk vervaardigd mét de graphic telescope te zien zal zijn, is eveneens in de maak – die komt eind dit jaar in Londen.

Irene Kopelman
Irene Kopelman

Wordt vervolgd!

Tiemen en Paul

Een perfect werkende graphic telescope uit eigen werkplaats

Of ik een `Claude glass‘ kon namaken – voor een expeditie naar de Zuidpool. En of ik ooit had gehoord van de `graphic telescope’.

Graphic Telescope

Graphic Telescope

De uit Argentinië afkomstige kunstenares Irene Kopelman had wel vaker een buitengewoon plan opgevat. Naar Hawaï afreizen om de textuur van gestolde lavastromen te bestuderen bijvoorbeeld. Werkte ze in Latijns Amerika voornamelijk in en over het omringende landschap, het verhuizen naar Europa dwong haar tot een onderzoekende houding tegenover onze omgang met het schijnbaar natuurlijke gegeven. Natuur geordend in eeuwenoude collecties. Natuurlijke variatie in de grip van classificatie. Genoeg stof om er de eerste promotie in de Kunsten in Nederland mee in te vullen – Kopelman promoveerde begin september, begeleid door de Utrecht Graduate School of Visual Art and Design en de Finnish Academy of Fine Arts, Helsinki.

Die `Claude glass’ namaken lukte destijds nog wel. De `graphic telescope’ was een ander verhaal. Dit in de vroege 19de eeuw ontwikkelde wetenschappelijk instrument was een treffend voorbeeld van gespecialiseerde technologie. Een deel ervan werkte als een camera lucida, en stelde kunstenaars in staat in één oogopslag naar onderwerp én tekenblad te kijken. Door die twee over elkaar te projecteren introduceerde het apparaat een nieuwe tekenmethodiek. Maar de uitvinder van de `graphic telescope’, Cornelis Varley, kwam bovendien de in de 19de eeuw opkomende landschapkunst tegemoet. Hij voorzag de camera lucida van een telescoop, zodat verre landschappen zich mooi in het vizier en op het tekenblad presenteerden.

Een begeerd instrument voor iemand die – net als de 19de-eeuwse expeditieleden – vol verwondering het Antarctische landschap aanschouwt maar in de toenadering gehinderd wordt door de barre omgeving.

Het obscure apparaat verdient een grondigere analyse dan een archiefstudie ooit kan bieden. Het was via dit instrument dat de eerste beschrijvingen, tekeningen en gravures van het Antarctische gebied de warmere klimaten bereikten. Kopelman had voor haar Zuidpoolexpeditie de middelen gevonden. Om een graphic telescope te maken was een vakman vereist. Paul Steenhorst, hoofdrestaurator van Museum Boerhaave, was meteen enthousiast.

Maar zoals het een obscuur instrument betaamt bleken er in deze contreien geen originele Varley-`graphic telescopes’ bewaard gebleven te zijn. Paul en ik reisden in juli af naar Engeland – de plek waar meerdere exemplaren bewaard zijn gebleven. Na een blitzbezoek aan Cambridge en Oxford hadden we alle gegevens van de `graphic telescope’, mechanisch en optisch, verzameld, en hadden we een blik kunnen werpen op onderlinge variaties. Dat bleken er heel wat te zijn. Schijnbaar is Varley het instrument blijven doorontwikkelen – elke keer bracht een puzzel van tientallen onderdelen ons tot nieuwe inzichten over het apparaat. Gewapend met de vereiste gegevens vingen we de terugtocht aan.

Graphic Telescope detail

Graphic Telescope detail

Amper vier weken later was ie klaar. Hetgeen een klein wonder kan worden genoemd. Paul heeft in die tijd kilo’s messing verspaand, en toverde in zijn werkplaats een perfect werkende `graphic telescope’ tevoorschijn (ikzelf gaf de typenummers van de benodigde lenzen door aan Paul en ging met vakantie…).

De dienst op de Zuidpool moet Pauls `graphic telescope’ nog invullen, maar nu al staat het instrument prominent ten toon op Kopelmans promotie-expositie, getiteld `The Molyneux Problem’. Die loopt tot en met 25 september in de Basis voor Actuele Kunst, Lange Nieuwstraat 4 in hartje Utrecht. Ook werk getuigend van een eerdere Zuidpoolreis door Kopelman is daar te bezichtigen. Een vervolgtentoonstelling, waarin ook werk vervaardigd mét de graphic telescope te zien zal zijn, is eveneens in de maak – die komt eind dit jaar in Londen.

Irene Kopelman

Irene Kopelman

Wordt vervolgd!

Tiemen en Paul

Jeroen Koomen gebruikte de Van Leeuwenhoek microscoop replica; een impressie

Voor zijn afstuderen kreeg Jeroen Koomen een replica van de Van Leeuwenhoek microscoop. Hij heeft er al enig onderzoek mee verricht, in de stijl van Van Leeuwenhoek, getuige zijn verslag:

“Vanavond heb ik net als Antoni van Leeuwenhoek bij kaarslicht zitten experimenteren met zijn microscoop. Ik heb een beetje vals gespeeld, want ik weet hoe je preparaten moet maken die maar een cellaag dik zijn (en dat is nodig om de cellen goed te kunnen zien) en heb geprobeerd om een foto te maken van wat ik kon zien. De foto is niet heel geweldig, want het is nogal lastig om de microscoop in focus te houden en met de andere hand een foto te maken. Het beeld wat ik zelf door de microscoop zag was veel mooier. (…) De foto heb ik bijgevoegd, het zijn cellen van een ui belicht met kaarslicht.”

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Cellen

Cellen

Dank je wel Jeroen voor je verslag en de mooie foto’s!

Meer informatie over de replica leest u hier.

Vera

Replica Van Leeuwenhoek microscope (English version)

Since 1960 Museum Boerhaave sells copies of the Van Leeuwenhoek microscopes. These microscopes were made  by mr. Arie de Vink, previous restorer/conservator of the museum.

After his retirement mr. De Vink continued with the production. Just recently, on 86 years of age he decided to stop producing them. Understandable, but a problem for Museum Boerhaave. This because there is a regular demand for these copies of the Van Leeuwenhoek microscope.

I was asked if it would be possible to take over the production of these microscopes, which I took on with great enthusiasm. To create a difference between the replica of mr. De Vink’s and mine, I decided to choose an other model of the microscopes in our collection to replicate.

Left: original and new replica, Right: original and De Vink”s replica

Museum Boerhaave owns five Van Leeuwenhoek microscopes. I choose for the microscope with the convex shape in the plates, to fit the lens in. This choice has some advantages: Because  the lens which is used for the replica, has a thickness of2,3 millimetres, it can be easily placed in the concave shapes in the plates. Besides this the microscope is a bit larger in size than the one made by mr. De Vink.

His lens which was placed in the replica made wasn’t functioning for the full 100%. This because of the spherical lens. The disadvantage of this type of lens is that the focal distance is only tenths of millimetres separated from the surface of the lens. If you want to be able to see something through the spherical lens with a diameter of2,5 mm, you’ll have to put the specimen that close to the lens that it will be touching the surface. Tiemen Cocquyt, scientific co-operator of Museum Boerhaave came with the solution! A cut lens, often used in the mobile-phone industry. The main advantage is the focal distance. These lenses (meant for the camera function on your mobile) have a focal distance of about3 millimetres, Therefore it magnifies up to around eighty times. This resembles quite well with the original Van Leeuwenhoek microscopes. Though there were some higher and lower magnifications, but the overall average was around this value.

(Notice: The three microscopes in the boerhaave collection with lens: 74x, 80x and 118x, Two microscopes have no lens.)

Obviously this lens is of modern make, still the lens owns the same capabilities: Standard optical glass, uncoated and the right shape (biconvex)

The lenses in the replica are made in a factory but are just as imperfect as the lenses of the Van Leeuwenhoek microscope. Therefore the lenses used in the replica microscope are the best choice even though there are minor differences. An other advantage of these lenses is that continuity in production is guaranteed, for later orders.

An other problem for the continuity in the production of the microscopes is  the making of the screw thread. Van Leeuwenhoek had a screw thread with a pitch of0,8 millimetreon a diameter of2,2 millimetre. This isn’t a standard pitch. On the replica of mr. De Vink’s taps and dies were used which were made by hand. The disadvantage of the use of these taps and dies is that they are very hard work to produce. This also means that there is a high risk of breaking the taps, which means it’s making the production very time consuming and expensive.  That’s why I choose to use the coarsest thread still available: 3/32 BSW (British Standard Whitworth 2.3 mmdiameter) which aligns with the original diameter used in the original microscope (2.2mm). The Pitch is finer though, but tests have proven that only real experts will see the difference.

The long threaded arbour which moves the dressingholder up and down has a bit of clearance. This gave a problem, because the dressingholder isn’t fixed to the main plate. By observing the original microscope and the replica made by de Vink, it showed that the squarely bent mounting was bent a bit further, to take away the clearance. This I also applied.

Like the originals the replicas are made out of brass.

The original microscope is coloured dark over the years. To make the replicas match as close to the originals I patinated them without putting on a coating for protection. To allow them to make a patinated surface over the years.

To sell the replica’s as originals is impossible. Therefore the replicas are marked with the Boerhaave logo and have, as been said a different type of screw thread. Also by recalculating the lens, you can tell a modern lens was used.

Hand made replica

The result is a hand made replica with a good working lens, which in appearance comes very close to the original microscopes by Van Leeuwenhoek. These replica’s are momentarily only available at Museum Boerhaave for €195,- . For information please contact Annelore Scholten

Paul Steenhorst 
Instrumentmaker and Head Conservator of the conservation department of Museum Boerhaave

 
 
 
 

Restaurator Tjeerd Bakker over zijn favo-Boerhaave-object

Mijn naam is Tjeerd Bakker en ik ben assistent restaurator/uurwerkmaker in Museum Boerhaave. Mede vanuit mijn specialisatie op uurwerkgebied ben ik van begin af aan gefascineerd door astronomische regulateurs. Graag wil ik u daarom een beetje vertellen over een astronomische regulateur gemaakt door de firma Strasse & Rohde uit Glasshütte. Het zijn niet alleen de hoge precisie en de nauwkeurigheid van de klok, die mij erg aanspreken maar ook de technische aspecten van het uurwerk.

In 1899 is de betreffende regulateur aangeschaft door Hendrik van de Sande Bakhuyzen. De klok werd daar gebruikt bij het zojuist geopende astrofotografie gebouw naast de sterrenwacht. Het was alleen echter na een complete revisie door Strasse & Rohde in 1905 dat de klok volledig ging functioneren.
Na 1924 heeft het uurwerk gefunctioneerd als een moederklok die elders in de sterrenwacht elektrische uurwerken aanstuurde. De klok is hierdoor aangepast, door de elektrische contacten aan te brengen en de slinger te zetten naar siderische tijd.

(Siderische tijd wordt in de volksmond ook wel sterrentijd genoemd. Hierbij wordt de tijd afgestemd door een verstaande ster in plaats van het hoogste punt van de zon. Door siderische tijd te kunnen meten neem je een ster waar op een bepaald tijdstip. De volgende maal dat de ster weer voorbijkomt stop je de waarneming. De aarde is dan precies een keer rond geweest. Dit heet een siderische dag. Een siderisch jaar duur ook precies een dag korter dan een normaal zonnejaar. Of 3 min 56 sec per dag. Dit komt doordat ”kortgezegd” de aarde per jaar een rotatie om de zon maakt.)

De twee meest bijzondere  aspecten in vergelijking met een normale klok , zijn de wijzerplaat en de slinger.
Zoals te zien is op de afbeelding  heeft de wijzerplaat een heel andere verdeling dan die van een gewone alledaagse wijzerplaat van een domestische klok. De secondeverdeling zit weliswaar op de gebruikelijke plaats van de wijzerplaat, maar de uur en de minutenwijzers zijn uitelkaar gezet. Een van de eerste echte wijzerplaten met een dergelijke verdeling is te zien op een vroege astronomische klok gemaakt door Thuret ook te zien in Museum boerhaave. Ook zijn de uren verdeeld in 24 uren in plaats van twaalf.

Het tweede bijzondere aspect van de klok is dat de klok is uitgerust met een slinger gemaakt door Riefler in Duitsland. Kenmerken voor deze slingers is dat de staaf voor een deel gevuld is met kwik. Die met temperatuur uitzet of krimpt om voor of achterlopen tegen te gaan. De typische lens die door de firma Riefler is gebruikt heeft de minste lucht weerstand om zo min mogelijk effect te hebben bij verschil in luchtdruk. In het midden zit een moer om de slinger grof op tijd te kunnen stellen.  Onder aan de slinger zit een massa stukje om de slinger fijn te kunnen stellen. Ook zie je halverwege de slinger een bakje zitten. Deze wordt ook wel een loper genoemd die ook voor de fijn afstelling van de slinger ingesteld kan worden door kleine massa stukjes in lopertje  te doen. Een groot probleem bij precisie klokken is de aandrijving van het raderwerk naar de slinger toe. Ondanks de hoge kwaliteit van de raderen in de klok zijn er altijd kleine onnauwkeurigheden. Bijv. de onconcentriciteit van raderen. Bij deze klok heeft men dit opgelost door een soort van dubbele slingerveer te gebruiken. De dubbele slingerveer, het woord zegt het al, heeft twee functies:

  • het ophangen van de slinger
  • Het indirect doorgeven van de impuls naar de slinger, vanuit het raderwerk. Doordat dit met een veer gebeurt wordt een zeer groot deel van de onnauwkeurigheid van het raderwerk er uit gefiltreerd.

Ik hoop dat ik wellicht wat duidelijkheid heb kunnen scheppen het kleine wereldje van astronomische klokken. Het is namelijk voor een niet-klokkenmaker moeilijk te begrijpen dat dit alles in een ogenschijnlijk makkelijk uurwerk zit verwerkt.

Tjeerd

Conservator Ad Maas over zijn favo-Boerhaave-object

Ik ben Ad Maas en werk sinds 2003 als conservator in Museum Boerhaave. Het object waar ik een speciale band mee bezit ziet er op het eerste gezicht niet bijster fascinerend uit. Het oogt als een dertien-in-een-dozijn natuurkundig instrument uit het begin van de twintigste eeuw. Vandaar misschien dat het vele jaren onopgemerkt in het depot van het museum heeft staan verstoffen.

Ik stuitte op het instrument toen ik – ik werkte nog maar kort in Museum Boerhaave – het depot rondstruinde met een Duitse collega die een tentoonstelling over Einstein aan het voorbereiden was. We zochten naar objecten die iets met Einstein te maken konden hebben, toen mijn oog plotseling viel op een wat grofstoffelijk ogend instrument met een fabrikantenplaatje met daarop de naam Habicht. ‘Ken ik die naam niet?’, dacht ik, en toen viel het kwartje. We waren gestuit op een uiterst zeldzaam exemplaar van het ’machientje’ van Einstein.

Einsteins machientje (rechts) met zijn aandrijfmotor. Einstein bouwde dit apparaat samen met de broers Paul en Conrad Habicht. Hij wilde met dit machientje kleine hoeveelheden elektriciteit meten om zijn berekeningen aan de Brownse beweging en de massa-energie-equivalentie van de speciale relativiteitstheorie te kunnen toetsen.

Einsteins machientje (rechts) met zijn aandrijfmotor. Einstein bouwde dit apparaat samen met de broers Paul en Conrad Habicht. Hij wilde met dit machientje kleine hoeveelheden elektriciteit meten om zijn berekeningen aan de Brownse beweging en de massa-energie-equivalentie van de speciale relativiteitstheorie te kunnen toetsen.

De binnenkant van Einsteins potentiaalmultiplicator.

Het ‘machientje’ van Einstein is een instrument om uiterst kleine elektrische ladingen te meten, bedacht door Albert Einstein himself in de jaren voor 1910. Hij dacht ermee enkele van zijn revolutionaire theorieën uit zijn ‘wonderjaar’ 1905 te kunnen bewijzen. Bovendien meende Einstein dat zijn uitvinding alle vergelijkbare instrumenten overbodig zou maken. Zijn vriend en instrumentmaker Paul Habicht, met wie hij het apparaat in elkaar zette, bracht het op de markt. De potentiaalmultiplicator, om de officiële naam ook maar een keer te noemen, werd een daverende misluking. Het functioneerde simpelweg niet goed. Vermoedelijk zijn er ook maar weinig van verkocht, en slechts drie exemplaren hebben voor zover bekend de tand des tijds doorstaan.

Het mooie aan het Einsteins machientje vind ik dat het een heel menselijke Einstein toont: als iemand die vol enthousiasme en hooggespannen verwachtingen de schroevendraaier ter hand neemt en vervolgens ook blijkt te kunnen falen. Decennia later kijkt hij laconiek op de episode terug: Schön wars, auch wenn nicht brauchbares herausgekommen ist’.

Ad 

meer info over het machientje lees je hier.

Meer met minder? Reacties op Twitter

Vrijdagmiddag om 15:00 maakte Halbe Zijlstra zijn bezuiniginsgplannen voor de cultuur sector bekend. Deze plannen zorgen voor donkere onweerswolken boven Museum Boerhaave. De reden dat het museum in zwaar weer terecht komt is dat de staatssecretaris de regels tijdens het spel verandert. Aanvankelijk werd gesteld dat Museum Boerhaave, evenals de andere door het Rijk gesubsidieerde musea, tot en met 2012 de mogelijkheid zouden krijgen om gemiddeld 17,5% van hun budget eigen inkomsten te genereren. Nu wordt door Zijlstra echter het gemiddelde over 2010 en 2011 genomen. Dat is alsof er nog maar 1 helft gespeeld mag worden…

Ook op Twitter nam de verontwaardiging hierover al snel grote vormen aan. Ter illustratie even een aantal reacties onder elkaar:

En dit is slechts een deel van de reacties.

Dat er binnen korte tijd al zoveel tweeps zijn die ons een hart onder de riem steken doet ons goed. We laten niet zomaar onze deuren sluiten door een scheidsrechter die maar 1 helft laat spelen!

Bart

Museum Boerhaave is jarig! 80 jaar! Een stukje geschiedenis

Litho ter ere van het 80 jarig jubileum, Jeroen Hermkens

Vandaag bestaat Museum Boerhaave 80 jaar. In het weekend van 18-19 juni zullen we dit in het museum groots vieren. Je bent van harte uitgenodigd op ons partijtje!

In het volgende verhaal vertelt conservator Ad Maas over de geschiedenis van het museum.

De papieren oprichting voltrok zich in 1928, terwijl in 1931 het museum daadwerkelijk zijn deuren opende. Dit jubileum biedt een mooie gelegenheid om eens terug te gaan naar de wortels van het museum.

Deze wortels lagen in de Leidse natuurkunde. De belangrijkste oprichter, en eerste directeur van het museum was August Crommelin, adjunct-directeur van het Kamerlingh Onnes Laboratorium. Dankzij zijn inzet en organisatorische vaardigheden is het voortbestaan Nederlands fysische erfgoed verzekerd. De oorsprong van het museum is nog altijd zichtbaar in de wijze waarop de collectie wordt gepresenteerd.

Met de aanstelling van Kamerlingh Onnes als hoogleraar experimentele fysica, brak er in 1882 een nieuw tijdperk aan in het Leidse Natuurkundig Laboratorium. In tegenstelling tot zijn voorgangers, die zich voornamelijk als docenten beschouwden, stelde Onnes het onderzoek centraal – met succes, zoals we inmiddels weten. Bij een nieuw tijdperk horen nieuwe instrumenten. Vrijwel meteen na zijn aanstelling begon Onnes zijn laboratorium in te richten met instrumenten die zijn cryogene onderzoeksapparaat vorm moesten geven. De in der loop der vele decennia opgebouwde collectie demonstratie-instrumenten, waaraan zijn voorgangers veel waarde hadden gehecht, was plotsklaps gedateerd. De oude instrumenten, waaronder de beroemde ’s Gravesande- Van Musschenbroekcollectie, moesten wijken en werden zonder pardon naar de zolder verhuisd.

Claude August Crommelin 1878

Met het wegvallen van hun functie waren ze zogezegd in een klap historisch materiaal, museale objecten. Het wachten was alleen nog op iemand die ze in vitrines zou zetten en ze toegankelijk zou maken voor publiek. Die iemand was Claude August Crommelin (1878-1965).

We weten niet erg veel van Crommelin. Onbekend is waarom hij in Leiden ging studeren, terwijl Amsterdam – waar hij het gymnasium had gedaan – geografisch meer voor de hand had gelegen voor de te Nieuwer Amstel geboren Crommelin. We komen ook niet te weten waarom het de studierichting wis- en natuurkunde werd en waarom hij daarbinnen koos voor de experimentele fysica van Kamerlingh Onnes. Crommelin was van goede komaf  - hij was zoon van een luitenant ter zee eerste klas (later bankier) – en wordt steevast als ‘aristocraat’ gekenschetst, zonder dat daarbij overigens wordt gespecificeerd hoe dit zich uitte en wat dat wilde zeggen over de manier waarop hij in het leven stond en hoe zich tot zijn medemens verstond.

Feit is dat Crommelin zijn gehele werkzame leven in het Natuurkundig Laboratorium heeft doorgebracht. Eerst als assistent, vanaf 1907 als conservator en vanaf 1924 als adjunct-directeur. Als onderzoeker heeft Crommelin zich veelal met het edelgas argon beziggehouden. Hij stelde voor zijn promotieonderzoek een toestandsvergelijking van het edelgas op en deed dampdrukmetingen. Crommelins werk getuigt niet van veel verbeeldingskracht en creativiteit, maar goed, dat verwachtte Onnes ook niet van zijn onderzoekers die bovenal door stug meten tot hogere waarheden moesten zien te geraken.

Crommelin werd in 1907 conservator, tegelijk met Willem Keesom de latere opvolger van Onnes. Waar Keesom de conservator ‘met hersens’ werd en zich met het wetenschappelijk onderzoek moest bemoeien, werd Crommelin de conservator die – weinig aristorcratisch –  ‘naar smeerolie en vet’ rook, wat wilde zeggen dat hij voor het technische gedeelte zorg droeg.  Crommelins werkzaamheden lagen echter op een breder terrein. Hij werd in feite de regelneef van Kamerlingh Onnes, die toezicht hield op personeel en organisatie, en die bijvoorbeeld de externe contacten onderhield. Crommelin werd bovendien betrokken bij de instrumentmakersopleiding. Crommelin kreeg ervaring in het leiden van een organisatie.

Als conservator technische zaken droeg Crommelin ook verantwoording voor de oude apparaten op zolder, de instrumenten onder meer die Musschenbroek voor ’s Gravensande had gebouwd, en die studenten uit heel Europa naar diens colleges had gelokt. Het moet een prikkelend contrast zijn geweest om de dikwijls fraai uitgevoerde luchtpompen en windmolens van het fysische kabinet geconfronteerd te zien met de esthetisch weinig verheven, maar uiterst krachtige en efficiënte apparaten uit de dagelijkse onderzoekspraktijk. Wie weet heeft dit spanningsveld ten grondslag gelegen aan zijn liefde voor de historische instrumenten. Misschien ook hield hij van oude instrumenten eenvoudigweg omdat hij een ‘musisch mens’ was, wat hem, zoals Willem Otterspeer suggereert, ontvankelijk maakte ‘voor de samenhang van doelgerichtheid en schoonheid in die instrumenten’ (Crommelin hield hartstochtelijk veel van lezen en muziek). Maar ook dit weten we niet zeker. Het eerste bewijs dat Crommelin gegrepen was door de oude instrumenten dateert uit 1926, toen hij een catalogus van de historische collectie het licht liet zien, deBeschrijvende catalogus der historische verzameling van natuurkundige instrumenten. Later begon hij zelf wetenschapshistorische studies te verrichten, over herhalingen van de proeven van Michelson, tralies van Nobert, over ’s Gravensande, en bovenal over Huygens.

Kamerlingh Onnes en bedrijfschef van het cryogeen laboratorium Gerrit Jan Flim (links) bij de tweede heliumliquefactor, 1919.

De verzameling ‘historische’ instrumenten had echter van begin af aan ook nog een andere kant: de relikwieën die behoorden tot de topprestaties uit de eigen tijd. Men was zich in het laboratorium van Kamerlingh Onnes terdege ervan bewust dat er geschiedenis werd geschreven. Het zelfbewustzijn van de Leidse fysici over de eigen prestaties blijkt wel uit het feit dat de relikwieën die van deze prestaties getuigen zorgvuldig werden bewaard, ook als ze voor het actuele onderzoek niet meer van belang waren. De heliumliquefactor uit 1908, de weerstanden waarin supergeleiding voor het eerst was waargenomen, maar bijvoorbeeld ook een tamelijk onooglijk stuk geblakerd buis waarin in 1922 een nieuw temperatuurrecord werd gevestigd, zijn dankzij de Leidse eigendunk voor het nageslacht bewaard gebleven. Ter ere van het veertigjarig professoraat van Kamerlingh Onnes werden in 1922 historische plaatsen van het laboratorium omgedoopt tot een soort tentoonstellingsruimten met instrumentarium en tekeningen die de successen van het laboratorium verbeeldden. Het zal voor Crommelin een soort eerste museale vingeroefening zijn geweest.

Zo waren er twee motivaties om de fysische objecten in een museale omgeving onder te brengen: ten eerste de conservering van een onvervangbare en unieke historische collectie die – zo herhaalde Crommelin keer op keer – hun bestaan niet zeker waren zolang ze her en der verspreid in de laboratoria stonden, en ten tweede het verheerlijken van de eigen prestaties.

Enkelvoudige luchtpomp, Jan van Musschenbroek

Eind jaren twintig begon Crommelin stad en land af te reizen op zoek naar oude collecties om aan de Leidse toe te voegen. Hij bezocht de HBS te Deventer, waarvan hij gehoord had dat ze een waardevolle historisch collectie bezat, en sprak er met C.M. Hoogeboom, een leraar aldaar die hij als oud-student van de Amsterdamse experimentator Pieter Zeeman ongetwijfeld kende, en die hij ertoe probeerde te bewegen de collectie in bruikleen te geven. In Utrechts bezocht hij de hoogleraar natuurkunde L.S. Ornstein om oude instrumenten los te weken. In beide gevallen ving Ornstein bot, maar een brief aan de Groningse fysicus Dirk Coster leverde een fraaie luchtpomp van Van Musschenbroek op.

De bezoeken en briefwisselingen verraden veel over de wijze waarop de museumcollectie in de eerste tijd werd uitgebreid. In de kleine academische wereld kende iedereen iedereen, en degene die het museum op poten zetten en draaiende hielden maakte er zelf deel van uit. Door hun contacten te benutten droegen ze zorg voor de uitbreiding van de collectie. Deze collectie, zo nu en dan aangevuld met een aankoop bij een handelaar, ontsteeg zo het lokale niveau, en sterkte zich gaandeweg uit over alle natuurwetenschappen en de geneeskunde. De collectie van het Natuurhistorisch Museum werd er een van internationale allure.

Crommelin affiniteit lag voornamelijk bij de natuur- en sterrenkunde. Daar lag in de aanvankelijke collectie duidelijk ook het zwaartepunt. Dat andere natuurwetenschappen en de geneeskunde echter al snel al belang wonnen, was te danken aan Crommelins medeoprichters.

De creatie van het Nederlands historisch Natuurwetenschappelijk museum was geen eenmansactie van Crommelin geweest, maar werd ondersteund door diverse medestanders uit de Nederlandse academische en medische wereld. De Gorinchemse arts Jan Gerard de Lint (1867-1936) was de belangrijkste medeoprichter van het museum naast Crommelin. Het mag aan hem worden toegeschreven dat de geneeskunde deel ging uitmaken van de collectie. Daarnaast speelde met name de privaatdocent in de morfologie ene sytematiek van ongewervelde dieren C.J. van der Klauw een actieve rol. Kopstukken als Keesom, diens mededirecteur Wander Johannes de Haas, de wiskundige J.C.J. Bierens de Haan en de astronoom Willem de Sitter werden ingezet om het draagvlak verder te vergroten.

Het moderne museum Boerhaave

Leids Fysisch Kabinet

Leids Fysisch Kabinet

In de huidige opstelling is de grondslag van het museum terug nog altijd te zien. Het Leids Fysisch kabinet en het Kamerlingh Onnes Laboratorium zijn nog altijd de twee peilers waarop de fysische collectie in de vaste presentatie rust (in respectievelijk zaal 4 en 5, en in zaal 21). Ook op een ander vlak heeft de oprichting echter zijn sporen nagelaten. Het Nederlandsch Historisch Natuurwetenschappelijk Museum was in de eerste plaats een museum van en voor de geleerde elite, voor de happy few die de historische wetenschappelijke en medische instrumenten op waarde konden schatten. Kenmerkend is het bezoek dat Albert Einstein bracht in het openingsjaar, vergezeld van De Haas en Ehrenfest junior. Crommelin wilde met de inrichting ook best rekening houden met ‘de vacantiegangers, die op een regendag in vredesnaam dan maar een museum binnenlopen’, maar het museum was er toch vooral voor het ‘ontwikkeld publiek’.

De grondslag week daarmee af van vergelijkbare buitenlandse musea die vaak vanuit educatieve doeleinden waren opgericht.  Dat echter de opvoedkundige taak Crommelin wel degelijk ook na aan het hart lag bleek in een toespraak uit 1947, waarin hij betoogde‘dat het bezoek aan oordeelkundig ingerichte musea en tentoonstellingen er toe kan bijdragen ons volk op te voeden naar regionen van ontwikkeling en beschaving, hoger dan die waarnaar andere cultuurfactoren, zoals film, radio, jazz, bridge, kruisraadsels dit vermogen te doen’.

De tijd dat kruisraadsel als een bedenkelijke vorm van lagere cultuur werden gerekend ligt inmiddels achter ons. Museum Boerhaave is in de loop der tijd veranderd van een door enthousiastelingen begonnen liefhebberij tot een zakelijke organisatie. Het bedrijf wordt niet meer geleid door gepassioneerde hobbyisten uit de wetenschappelijke gemeenschap, maar door professioneel opgeleide gepassioneerde museummedewerkers die geen (modern) middel onbenut laten om zowel mogelijk bevolkingslagen het museum in te krijgen. In het huidige Museum Boerhaave nog altijd het historische wetenschappelijke instrument – moeilijk of niet – centraal.

[youtube http://www.youtube.com/watch?v=6FZF5Du4o2c]

Stukje over de restauratie van de Leidse Sphaera

Inmiddels zijn we ongeveer 3/4 jaar bezig met de restauratie van de Leidse Sphaera en naderen we het einde van dit grote project. Hoogste tijd om nog eens een blog te schrijven over deze restauratie!

Voorafgaand aan de restauratie hebben we eerst veel overlegd met collega restauratoren en onderzoek gedaan. Samen met deze andere restauratoren hebben we een vragen en wensenlijstje opgesteld en daarna hebben we bekeken wat er allemaal mogelijk was.

Een paar van deze punten zal ik hier even toelichten.

Een van de onderzoeken die we zelf konden doen is het kijken naar de lak lagen. Dat hebben we gedaan met UV licht. Door op het object te schijnen kun je goed zien of een oppervlak ooit gelakt is geweest. Dit is belangrijk om te weten of je het weer opnieuw moet lakken. Uit het onderzoek bleek dat het eerder gelakt was, dus dat hebben we ook gedaan.

Van de wijzerplaat wilden we weten of deze ooit verzilverd is geweest. Dit is iets dat we niet zelf konden onderzoeken. Hierbij hebben we de hulp ingeroepen van het ICN (Instituut Collectie Nederland).

De samenstelling van het metaal en de laklaag is non destructief onderzocht met behulp van X-ray Fluorescentie. De wijzerplaat bleek nooit verzilverd geweest te zijn en de samenstelling van het messing van de wijzerplaat was bijzonder zuiver. Ook dit onderzoek bewees weer dat de Sphaera gelakt is geweest

Door dit onderzoek hebben wij kunnen besluiten de wijzer plaat niet te verzilveren.

Na de restauratie hoop ik een restauratieverslag te kunnen presenteren aan iedereen die daar maar in geïnteresseerd is. Wordt vervolgd!

Paul