Restaurator Tjeerd Bakker over zijn favo-Boerhaave-object

Mijn naam is Tjeerd Bakker en ik ben assistent restaurator/uurwerkmaker in Museum Boerhaave. Mede vanuit mijn specialisatie op uurwerkgebied ben ik van begin af aan gefascineerd door astronomische regulateurs. Graag wil ik u daarom een beetje vertellen over een astronomische regulateur gemaakt door de firma Strasse & Rohde uit Glasshütte. Het zijn niet alleen de hoge precisie en de nauwkeurigheid van de klok, die mij erg aanspreken maar ook de technische aspecten van het uurwerk.

In 1899 is de betreffende regulateur aangeschaft door Hendrik van de Sande Bakhuyzen. De klok werd daar gebruikt bij het zojuist geopende astrofotografie gebouw naast de sterrenwacht. Het was alleen echter na een complete revisie door Strasse & Rohde in 1905 dat de klok volledig ging functioneren.
Na 1924 heeft het uurwerk gefunctioneerd als een moederklok die elders in de sterrenwacht elektrische uurwerken aanstuurde. De klok is hierdoor aangepast, door de elektrische contacten aan te brengen en de slinger te zetten naar siderische tijd.

(Siderische tijd wordt in de volksmond ook wel sterrentijd genoemd. Hierbij wordt de tijd afgestemd door een verstaande ster in plaats van het hoogste punt van de zon. Door siderische tijd te kunnen meten neem je een ster waar op een bepaald tijdstip. De volgende maal dat de ster weer voorbijkomt stop je de waarneming. De aarde is dan precies een keer rond geweest. Dit heet een siderische dag. Een siderisch jaar duur ook precies een dag korter dan een normaal zonnejaar. Of 3 min 56 sec per dag. Dit komt doordat ”kortgezegd” de aarde per jaar een rotatie om de zon maakt.)

De twee meest bijzondere  aspecten in vergelijking met een normale klok , zijn de wijzerplaat en de slinger.
Zoals te zien is op de afbeelding  heeft de wijzerplaat een heel andere verdeling dan die van een gewone alledaagse wijzerplaat van een domestische klok. De secondeverdeling zit weliswaar op de gebruikelijke plaats van de wijzerplaat, maar de uur en de minutenwijzers zijn uitelkaar gezet. Een van de eerste echte wijzerplaten met een dergelijke verdeling is te zien op een vroege astronomische klok gemaakt door Thuret ook te zien in Museum boerhaave. Ook zijn de uren verdeeld in 24 uren in plaats van twaalf.

Het tweede bijzondere aspect van de klok is dat de klok is uitgerust met een slinger gemaakt door Riefler in Duitsland. Kenmerken voor deze slingers is dat de staaf voor een deel gevuld is met kwik. Die met temperatuur uitzet of krimpt om voor of achterlopen tegen te gaan. De typische lens die door de firma Riefler is gebruikt heeft de minste lucht weerstand om zo min mogelijk effect te hebben bij verschil in luchtdruk. In het midden zit een moer om de slinger grof op tijd te kunnen stellen.  Onder aan de slinger zit een massa stukje om de slinger fijn te kunnen stellen. Ook zie je halverwege de slinger een bakje zitten. Deze wordt ook wel een loper genoemd die ook voor de fijn afstelling van de slinger ingesteld kan worden door kleine massa stukjes in lopertje  te doen. Een groot probleem bij precisie klokken is de aandrijving van het raderwerk naar de slinger toe. Ondanks de hoge kwaliteit van de raderen in de klok zijn er altijd kleine onnauwkeurigheden. Bijv. de onconcentriciteit van raderen. Bij deze klok heeft men dit opgelost door een soort van dubbele slingerveer te gebruiken. De dubbele slingerveer, het woord zegt het al, heeft twee functies:

  • het ophangen van de slinger
  • Het indirect doorgeven van de impuls naar de slinger, vanuit het raderwerk. Doordat dit met een veer gebeurt wordt een zeer groot deel van de onnauwkeurigheid van het raderwerk er uit gefiltreerd.

Ik hoop dat ik wellicht wat duidelijkheid heb kunnen scheppen het kleine wereldje van astronomische klokken. Het is namelijk voor een niet-klokkenmaker moeilijk te begrijpen dat dit alles in een ogenschijnlijk makkelijk uurwerk zit verwerkt.

Tjeerd

Conservator Ad Maas over zijn favo-Boerhaave-object

Ik ben Ad Maas en werk sinds 2003 als conservator in Museum Boerhaave. Het object waar ik een speciale band mee bezit ziet er op het eerste gezicht niet bijster fascinerend uit. Het oogt als een dertien-in-een-dozijn natuurkundig instrument uit het begin van de twintigste eeuw. Vandaar misschien dat het vele jaren onopgemerkt in het depot van het museum heeft staan verstoffen.

Ik stuitte op het instrument toen ik – ik werkte nog maar kort in Museum Boerhaave – het depot rondstruinde met een Duitse collega die een tentoonstelling over Einstein aan het voorbereiden was. We zochten naar objecten die iets met Einstein te maken konden hebben, toen mijn oog plotseling viel op een wat grofstoffelijk ogend instrument met een fabrikantenplaatje met daarop de naam Habicht. ‘Ken ik die naam niet?’, dacht ik, en toen viel het kwartje. We waren gestuit op een uiterst zeldzaam exemplaar van het ’machientje’ van Einstein.

Einsteins machientje (rechts) met zijn aandrijfmotor. Einstein bouwde dit apparaat samen met de broers Paul en Conrad Habicht. Hij wilde met dit machientje kleine hoeveelheden elektriciteit meten om zijn berekeningen aan de Brownse beweging en de massa-energie-equivalentie van de speciale relativiteitstheorie te kunnen toetsen.

Einsteins machientje (rechts) met zijn aandrijfmotor. Einstein bouwde dit apparaat samen met de broers Paul en Conrad Habicht. Hij wilde met dit machientje kleine hoeveelheden elektriciteit meten om zijn berekeningen aan de Brownse beweging en de massa-energie-equivalentie van de speciale relativiteitstheorie te kunnen toetsen.

De binnenkant van Einsteins potentiaalmultiplicator.

Het ‘machientje’ van Einstein is een instrument om uiterst kleine elektrische ladingen te meten, bedacht door Albert Einstein himself in de jaren voor 1910. Hij dacht ermee enkele van zijn revolutionaire theorieën uit zijn ‘wonderjaar’ 1905 te kunnen bewijzen. Bovendien meende Einstein dat zijn uitvinding alle vergelijkbare instrumenten overbodig zou maken. Zijn vriend en instrumentmaker Paul Habicht, met wie hij het apparaat in elkaar zette, bracht het op de markt. De potentiaalmultiplicator, om de officiële naam ook maar een keer te noemen, werd een daverende misluking. Het functioneerde simpelweg niet goed. Vermoedelijk zijn er ook maar weinig van verkocht, en slechts drie exemplaren hebben voor zover bekend de tand des tijds doorstaan.

Het mooie aan het Einsteins machientje vind ik dat het een heel menselijke Einstein toont: als iemand die vol enthousiasme en hooggespannen verwachtingen de schroevendraaier ter hand neemt en vervolgens ook blijkt te kunnen falen. Decennia later kijkt hij laconiek op de episode terug: Schön wars, auch wenn nicht brauchbares herausgekommen ist’.

Ad 

meer info over het machientje lees je hier.

Virtuele anatomie uit de zestiende eeuw

Een museum stelt zijn topstukken uiteraard ten toon. Nadeel daarvan is wel dat die topstukken maar beperkt toegankelijk zijn voor onderzoek. Je kunt een object dat in een vitrine in de vaste presentatie staat niet zomaar eventjes weghalen om het eens goed te bekijken. Gelukkig voor museummedewerkers is er de maandag, de dag dat het museum doorgaans voor publiek is gesloten en die de staf gebruikt om onderhoud te plegen, het glas van vitrines schoon te maken en – soms – de vaste opstelling aan te passen.

Vorige week maandag ging de grote prenten- en boekenvitrine in de zaal gewijd aan de renaissance open, en dat was voor mij als conservator een buitenkansje om een van de juweeltjes uit onze prentencollectie eens van dichtbij te bestuderen. Het gaat om een anatomische voorstelling, uitgegeven door Bartholomeus Schönborn in Wittenberg, tussen 1573 en 1586. Waarom het vooral zo leuk is dat ik deze prent eindelijk eens kon bekijken zonder het glas van de vitrine ervoor, is omdat het hier om een zogenaamde ‘volvellen’ prent gaat: een anatomische prent waarop flapjes zijn gelijmd die steeds een diepere laag van een deel van het menselijk lichaam voorstellen.

De prent komt uit een zeer interessante periode in de medische wetenschap, de renaissance. Kunstenaars en geleerden stelden in die periode de mens centraal en de anatomie, het onderzoek naar de bouw van het menselijk lichaam, stond daarom in het brandpunt van de belangstelling. Omdat ook filosofische en religieuze thema’s met anatomie in verband werden gebracht was het publiek voor ontleedkundige voorstellingen veel groter dan alleen de medische wereld. Voor drukkers en uitgevers was het een interessante markt, en er zijn in de zestiende en vroege zeventiende eeuw dan ook heel wat goedkope ontleedkundige prenten verschenen, in een genre dat je tegenwoordig populair-wetenschappelijk zou noemen.

Vooruitstrevende zestiende-eeuwse anatomen benadrukten dat het geschreven woord niet toereikend was om het menselijk lichaam te doorgronden. Plaatjes zeiden al veel meer, en het bijwonen van een echte sectie op een lijk was natuurlijk de beste methode. Volvellenprenten waren een eenvoudige manier om een brug te slaan tussen de tweedimensionale anatomische illustratie en de driedimensionale praktijk van de ontleding: je kunt de volvellenprent beschouwen als een virtuele vorm van anatomie.

Toen de vitrine in het museum openging en de prent bereikbaar was, heb ik maar eens zo’n virtuele anatomie op het mannetje van Schönbron uitgevoerd (en gefotografeerd). Ook in ‘ongeopende’ toestand biedt het mannetje al enkele anatomische details. In zijn rechterhand houdt hij bijvoorbeeld een doorsnede van het oog. Links van zijn hoofd is het mesenterium (darmscheil) afgebeeld. Bij zijn linkerbeen zien we strottenhoofd, luchtpijp en bronchiën, en op de grond voor hem ligt de maag met daar aan vast de galblaas. Een ander veelzeggend (niet-anatomisch) detail is dat het gezicht van het mannetje de gelaatstrekken van Andreas Vesalius vertoont, de grote vernieuwer van de zestiende-eeuwse anatomie.

Met het openklappen van de romp van het mannetje beginnen we de eigenlijke anatomie. Deze eerste fase van de ontleding legt de darmen bloot maar ook de lever en de milt en de longen.

In de tweede fase klappen we het flapje met lever, darmen, longen etc. weg en bereiken we een diepere anatomische laag. Hier zien we de nieren, de holle ader, de blaas, de urinebuis en de zaadleider. De uitsteeksels links en rechts van de holle ader zijn de ribben.

De ribben vinden we ook weer terug in het laatste plaatje, maar nu zien we hoe ze aan de ruggengraat vast zitten. Aan de onderkant van de ruggengraat is het heiligbeen uitgebeeld.

De anatomische informatie die de prent levert is schematisch en weinig precies, en zeker niet state of the art voor de ontleedkunde van het einde van de zestiende eeuw. Maar daar ging het ook niet om. Zoals het cursief gedrukte zinnetje helemaal onderaan het blad verduidelijkt, gaf Schönborn de prent uit ten behoeve van de studenten van de universiteit van Wittenberg, als hulpmiddel bij de bestudering van het boek De anima (over de ziel). De filosofische of theologische implicaties van anatomie zijn in deze prent dan ook belangrijker dan de ontleedkundige details, al doet het portret van Vesalius misschien anders vermoeden.

Tim

Gaatje in je hoofd

Op 6 januari 1965 boorde de Amsterdamse medicijnenstudent Bart Huges een gaatje in zijn hoofd. Hij was op dit idee gekomen door zijn experimenten met yoga en met geestverruimende middelen – we hebben het hier ten slotte over de jaren zestig. Huges had beredeneerd dat een gesloten schedeldak het brein verhindert om vrij uit te zetten wanneer door de hartslag het bloedvolume toeneemt. Het bloed bereikt daardoor niet de hersenen tot in de allerkleinste haarvaatjes, met als gevolg dat de mens een deel van zijn hersencapaciteit niet benut. Een opening in het schedeldak zou er volgens Huges voor zorgen dat de hersenen wel vrij zouden kunnen pulseren met de hartslag, met een verhoogd bewustzijnsniveau als resultaat. Met een gaatje in je hoofd zou je permanent high zijn.

Na enkele chirurgen vergeefs te hebben gevraagd om hem te opereren, besloot Huges uiteindelijk maar om de ingreep bij zichzelf uit te voeren. Zijn instrumentarium was simpel: een injectiespuit om een plaatselijke verdoving toe te dienen, een scalpel om de hoofdhuid weg te snijden en een elektrische boor – merk Black en Dekker volgens de overlevering – om door de schedel te boren. Na zijn operatie voelde Huges zich naar eigen zeggen ‘als een veertienjarige’ en was hij op slag beroemd (of berucht) als een extreem voorbeeld van de zoektocht van de tegencultuur naar geestverruiming.

Bart Huges was zeker niet de eerste met een operatief aangebracht gaatje in zijn schedel. De trepanatie of schedelboring was al bekend bij de prehistorische mens. In Frankrijk zijn schedels gevonden, gedateerd op zo’n vijf eeuwen voor Christus, met trepanatiegaten. Het botweefsel aan de randen van deze gaten is weer aangegroeid, wat er op wijst dat de prehistorische patiënt de ingreep geruime tijd heeft overleefd. Ook de precolumbiaanse culturen van Zuid Amerika kenden de praktijk van het schedelboren en tot zeer recent kwam de ingreep voor bij geïsoleerde volken van Noord Afrika tot Melanesië.

In de zalen van Museum Boerhaave komen we de trepanatie ook tegen. Al aan het begin van de vaste presentatie van het museum zien we een zeventiende eeuws schilderij waarop een patiënt is afgebeeld die door een chirurgijn in het hoofd wordt geboord – een zeventiende eeuwse Bart Huges? Een aantal zalen verderop vinden we een paar prachtig vormgegeven trepaanboren gedateerd rond 1700, met verschillende boorkronen als accesoires. Waren onze voorouders op zoek naar een hoger bewustzijn door een gaatje in de schedel? Nee dus. In de zeventiende eeuwse chirurgijnshandboeken behoort de trepanatie tot het vaste repertoire van operaties dat de chirurgijn diende te beheersen, maar dan als therapeutische ingreep.

De chirurgijn Cornelis Solingen bijvoorbeeld, schreef in zijn handboek Manuele Operatiën (1684): ‘zo wanneer door hout, steen, yser of eenig ander instrument, ’t zij door slaan ofte val op ’t hooft, met een wonde tot op ’t cranium (= schedel) doorgaande, gequetst is [. . .] zoo moet sonder tijtversuym getrepaneerd werden.’ Met een handboor met een kransvormige boorkop, maar ook met allerlei zaagjes, raspjes en tangetjes kon de chirurgijn de schedel van zijn patiënt doorboren om bloeduitstortingen tussen het bot en het hersenvlies te verwijderen, of om makkelijker toegang te krijgen tot botsplinters die na een klap of val op het hoofd op het hersenvlies drukten. Het bleef ook niet altijd bij een gaatje: Philips van Nassau, een neef van Willem van Oranje, werd zelfs 26 maal getrepaneerd nadat hij ‘met een paerd tegen een pael vallende, sijn hersenpan op verscheyde plaatsen brak.’

Vanaf 1800 bekoelde de liefde van de chirurgijns voor het trepaneren aanmerkelijk. Het was een risicovolle operatie, en een Duitse legerarts schreef in 1848 dat hij de trepanatie meer vreesde dan de hoofdwonden zelf, aangezien de ingreep hem in de meeste gevallen een trefzeker middel leek om de patiënt om te brengen. Toch is de schedelboring niet afgevoerd uit het repertoire van de chirurgie. In de twintigste eeuw hebben verbeteringen in de operatietechniek, de asepsis tijdens en na de ingreep en de uitvinding en verbetering van de narcose ervoor gezorgd dat de risico’s van het trepaneren zijn beperkt. Bovendien heeft het specialisme van de neurologie een grote vlucht genomen. We weten veel meer van de werking van het brein dan onze zeventiende-eeuwse voorouders. De trepanatie maakt nu deel uit van de operatieve behandeling bij tumoren en hersenbloedingen.

En Bart Huges? Samen met de geest van de jaren zestig doofde ook zijn status van beroemdheid langzaam uit. In de jaren zeventig publiceerde hij nog wel wat boeken over de heilzame werking van een gaatje in je hoofd, maar de internationale goeroe van het hogere bewustzijn is hij nooit geworden. Hij stierf op 30 augustus 2004 aan een hartkwaal, 70 jaar oud.

Tim

Hoe een geneesmiddelkoker toch een telescoopje blijkt te zijn

In Museum Boerhaave zijn honderden objecten uit de wetenschapsgeschiedenis te bewonderen. Toch is dit maar een fractie van de totale museumcollectie – de overige 95% ligt op depot, wachtend op een bruikleen, tentoonstelling of onderzoek. Af en toe levert het rondneuzen in het depot een verrassing op. Onlangs stuitte ik per toeval op een `geneesmiddelkoker’ die dat bij nader inzien toch niet bleek te zijn.


Het kokertje is gemaakt van ivoor en is zo’n 16 cm lang. Als je het kokertje in het midden openschroeft, zie je dat het is uitgehold. Maar ook aan de uiteinden kan het open. Daar komt dan iets tevoorschijn dat best bijzonder is.

Door de sporen van de tijd is dit nauwelijks herkenbaar, maar het kokertje heeft een holle en een bolle lens aan de uiteinden, en is dus een telescoop. `Kijkertje’ is misschien een betere benaming, want het instrumentje is nooit gemaakt voor écht sterrenkundig onderzoek. De vergroting bedraagt ongeveer drie keer.

De holle lens maakt dat het kijkertje van het `Hollands’ type is: dit was de vroegste vorm van de telescoop, zoals die omstreeks 1608 in Nederland het daglicht zag. Dit type telescoop levert een rechtopstaand beeld. Bij hogere vergrotingen wordt het beeldveld echter zo klein dat de kijker onbruikbaar wordt. Omstreeks 1640 stapten sterrenkundigen daarom over op een ander type telescoop (met twee bolle lenzen). Ook bij hoge vergrotingen blijft er voldoende te zien aan de hemel. Het beeld stond wel op zijn kop, maar voor de sterrenkunde was dat geen bezwaar.

En dat is precies het punt. Vanaf het begin werd de telescoop namelijk niet alleen voor de sterrenkunde gebruikt, maar ook voor militaire doeleinden (of meer vredelievende activiteiten op aarde). Daar was een omgekeerd beeld totaal onbruikbaar. Zo’n twee eeuwen lang werden daarom nog steeds kijkertjes gemaakt volgens de `oude’ constructie, met bescheiden vergrotingen maar wél met rechtopstaand beeld. Het ivoren kijkertje dat in het depot is opgedoken, is daar een voorbeeld van.

Van dit soort kijkertjes van ivoor – vaak zijn ze ook van been gemaakt – zijn er wel meerdere bewaard gebleven. Ze worden af en toe bij archeologische opgravingen gevonden, echter vaak met ontbrekende lenzen. Hoe ons exemplaar in de collectie is terechtgekomen is onbekend. Mogelijk heeft het ook enige tijd onder de grond doorgebracht – maar de lenzen zijn wel heel gebleven!

En die laten iets merkwaardigs zien. Bij héél vroege telescopen werden de lenzen uit hergebruikt spiegelglas geslepen. Dat was mooi vlak en toch nog van enige kwaliteit. Het gedeelte dat bolvormig werd geslepen hield men bewust klein om fouten te beperken. Ons ivoren kijkertje heeft precies die kenmerken.

Een eerste verkenning leert echter wel dat het gebruik van dit soort lensjes bij handkijkertjes nog wat langer doorging dan bij hun `serieuze’ broertjes, waar ze al omstreeks 1650 uit de gratie geraakten. Maar héél veel later zal dit kijkertje toch niet zijn gemaakt.

Interessant in dit opzicht is de afbeelding `De Brillemaaker’, opgetekend in het uit 1694 daterende boek Het Menselyk Bedryf van de Amsterdamse illustratoren Jan en Casper Luyken. Deze prent geeft weer hoe wijdverspreid de korte kijkertjes wel waren in de zeventiende eeuw. Zou ons ivoren kijkertje één van de aan het touwtje opgehangen instrumentjes kunnen zijn? Wie weet…

Voorlopig krijgt het kijkertje een datering van omstreeks 1700 mee. Maar dit moet wel ruim worden gezien. De vervaardiging kan gerust een kwarteeuw later hebben plaatsgevonden – maar vroeger kan ook. Dat moet nader onderzoek uitwijzen.

Tiemen

#askacurator day, overview

Het was een waanzinnig leuke en drukke dag! We hebben ruim 50 vragen beantwoord. Bij deze een kleine selectie van de vragen die we kregen en de antwoorden die we gaven. De vragen bieden in ieder geval genoeg inspiratie voor volgende blogs!

Heel erg bedankt allemaal voor het meedoen en mochten jullie nog vragen hebben dan beantwoorden we die uiteraard heel graag!
Het Boerhaave-pakket voor de leukste vraag gaat naar: @Hienk!

Hienk @museumboerhaave wat zouden de gevolgen zijn geweest als Huygens NIET het slingeruurwerk had uitgevonden?#askacurator
@Hienk Galileo liep met zelfde idee rond, dus dan had hij het uitgevonden… #slingeruurwerk #Huygens #askacurator (leuke vraag trouwens!)
Hienk @museumboerhaave ja snap ik:) maar what if? Hadden we dan bepaalde landen niet ontdekt? Bestond internet dan wel?Hm msschn btje te grote vr.
@Hienk De ontwikkeling van de precisie tijdmeting was langzamer gegaan, zal dan van invloed zijn geweest op alle onderzoek met tijdsfactor

leonieke @museumboerhaave #askacurator wat is een echt “juweel” die nog mist in een collectie? kan je zoiets zomaar aanschaffen?
@leonieke Een Marshall microscoop, daar zouden we jaren aan aquisitiegelden voor over hebben :) http://ow.ly/2xL5A #askacurator

petermid @museumboerhaave Aan welk museumstuk ben je zelf het meest gehecht? #askacurator
@petermid het planetarium van Huygens is mooiste wat we hebben (conservator Ton) http://ow.ly/2xLbe Behoort tot top vd wereld #askacurator
@petermid Conservator Ad gaat voor Einsteins Maschinchen http://ow.ly/2xLrq #favoobject #askacurator

MuseumFuture @museumboerhaave Wordt het maan-brokje onder speciale omstandigheden bewaard? atmosfeer, luchtdruk enzovoort? #askacurator
@museumfuture De maansteentjes zitten in plexiglas, er kan geen zuurstof bij, bijzonder klimaat niet nodig http://ow.ly/2xKLA #askacurator

Susan_schrijft Just finished Marie Curie’s biography. Loved it! Can you recommend another bio (female) scientist 1400-1950? @museumboerhaave #askacurator
@Susan_schrijft lees eens: het geslacht van de wetenschap, vrouwen en hoger onderwijs 1878-1948 door oa Mineke Bosch (1994)
@Susan_schrijft of deze http://www.ucpress.edu/book.php?isbn=9780520208605 #askacurator (biography of female scientist)

Beukie74 @museumboerhaave, wat is het oudste stuk in jullie collectie? #askacurator
@Beukie74 Cosmas en Damiaan zijn onze oudste objecten in de vaste opstelling, van rond 1400 http://ow.ly/2xKNK #askacurator

CreaZin @museumboerhaave Bij kom. tent. ‘De kracht van de mond’ is een kisscorner: zijn de curators daar mouth-to-mouth bij betrokken? #askacurator
@CreaZin Haha Dat vind ik een hele orginele versiertruuk om een conservator aan de haak te slaan (-; #askacurator

georgevanhal . @TEYLERS @museumboerhaave Als jullie één voorwerp bij elkaar weg zouden mogen snaaien, wat zou dat dan zijn? #askacurator
@georgevanhal we zouden trouwens graag de electriseermachine van @teylers willen … #askacurator

yhoitink @museumboerhaave Wat is dat oudste boek? Wat is je eigen favoriete boek uit de collectie? #askacurator
@yhoitink het oudste boek heet: Herbarius Maguntie Impressus, een herbarium uit 1484, later met de hand ingekleurd #askacurator
@yhoitink favoriet is de anatomische atlas van Bidloo, is artistiek, semi-wetenshappelijk en mooi http://ow.ly/2xPCl #askacurator

filosoof #askacurator @museumboerhaave Mag je (zonder flits) fotograferen in jullie museum? Zo nee, waarom niet?
@filosoof: JA DAT MAG! #askacurator

Vera

#askacurator day! September 1st

So… Today is the day! It’s #askacurator day on Twitter. Using the hashtag #askacurator tweeps can ask anything they want about the museums and collections to curators from all around the world. Around 300 museums are in! After first inscribing our museum and a massive invitation-action of @museumsukkel in the Netherlands, we are proud to be one of the 39 participating Dutch museums and institutions.

At September 1st at 00:02 we already started answering our first questions…

Let me just shortly introduce out team of curators:

Bart, our die-hard tweeting curator! Bart is a biologist and his specialism is medical history.  At this moment Bart works on the exhibition Say cheese! Which will open on October 9th. The  exhibition is about the developments in dental care.

Tim is curator of art and medical history in Museum Boerhaave. His dissertation The Finger of God, anatomical practice in 17th century Leiden was well received in the Dutch historical society. Tim knows all about the Anatomical theatre.

Ad is a specialist in history of science. Recently Ad gave several lectures on electricity in the 18th century and organised a series of lectures on the Scientific Revolution. Ad was also curating the current exhibition NewtonMania.

Tiemen, just joined our team one month ago. He also is specialised in the history of science. At this moment Tiemen works on a project about Georg Marcgraf, a scientist to the court of the count Mauritz of Nassau, the governor of Dutch Brazil in 17th.

Ton is our know-it-all curator. He has been working at the museum for years now. Ton is a chemist.

And of course we also have a lady in our curator team (science is not all about man you know…) Mieneke. Mieneke just gave birth to a little baby girl last week, and for this happy reason she won’t be able to join #askacurator. Mienekes specialist area is medical history.

What to ask about? Well, anything that has to do with our scientific and medical collection. Our collection represents 5 centuries of science and medicine. We have for example the first microscopes from Antoni van Leeuwenhoek, clocks from Huygens and Einstein’s pen. You can also ask about restoration projects, our depot, our library and about how-to-become-a-curator.

Check our online collection and get inspired to ask!

Ooowww and by the way…. You can always ask us your questions of course, 365 days a year! (we answer asap).

Vera